De zachte censuur op de Nederlandse universiteit
De zachte censuur op de Nederlandse universiteit
column in HP/De Tijd november 2025
In de jaren zeventig probeerde de Leidse criminoloog Wouter Buikhuisen een legitieme vraag te beantwoorden: spelen biologische factoren een rol bij crimineel gedrag? Toch werd hij door collega’s en media weggezet als een nazi-wetenschapper. Studenten demonstreerden, collega’s keerden hem de rug toe. Zijn carrière liep op de klippen. Pas veel later bevestigde onderzoek in genetica en neurowetenschappen dat biologische factoren wel degelijk meespelen. Voor Buikhuisen kwam die erkenning te laat.
Zijn verhaal wordt vaak gezien als een tragische uitzondering. Maar wie denkt dat dit vandaag niet meer kan gebeuren, vergist zich. Censuur op universiteiten bestaat nog steeds, zij het subtieler. Niet een minister die de mond snoert, maar studenten, collega’s en onderzoekers zelf die hun pen inhouden. Het resultaat is een nieuwe, zachte vorm van censuur. Dat dit geen overdrijving is, blijkt uit cijfers. De Academic Freedom Index laat zien dat Nederland de afgelopen jaren is teruggevallen naar de 24ste plek in de EU. De Stolker-commissie waarschuwde onlangs dat onderzoekers gevoelige onderwerpen vermijden uit angst voor repercussies. De EU signaleert hetzelfde: ook in democratieën wordt academische vrijheid kwetsbaarder. Universiteiten zouden juist de plekken moeten zijn waar ongemakkelijke vragen gesteld worden.
Waarom is die neiging zo hardnekkig? Professor Cory Clark (University of Pennsylvania) laat zien dat censuur vaak voortkomt uit een morele reflex: de wens om kwetsbare groepen te beschermen. Een onderzoeksresultaat dat nadelig uitpakt voor vrouwen, moslims of zwarte homoseksuelen wordt sneller afgewezen of weggezet als slechte wetenschap dan hetzelfde resultaat over mannen, christenen of hereoseksuelen. Niet omdat de data fout zijn, maar omdat ze botsen met een invloedrijk moreel principe: het “do-no-harm” principe. Sociale rechtvaardigheid wordt zo steeds vaker belangrijker dan het principe van vrije kennis. Dat klinkt nobel, maar wetenschap kan niet bestaan zonder de mogelijkheid dat bevindingen ongemakkelijk of confronterend zijn.
Ook op mijn eigen Vrije Universiteit zien we dit mechanisme. Onderzoek van ons toont dat vrouwen, progressieve en internationale studenten en docenten meer steun geven aan censuur dan mannen, conservatieven en Nederlandse studenten. Politieke oriëntatie bleek de sterkste voorspeller: linkse studenten waren veel vaker geneigd controversiële passages te blokkeren. We lieten respondenten drie fragmenten lezen uit bestaande studies: over misdaad onder migranten, klimaatscepsis en sekseverschillen in intelligentie. Steeds vond een aanzienlijk deel dat dit soort onderzoek niet thuishoorde in het curriculum of zelfs van de campus geweerd moest worden – terwijl het ging om peer-reviewed artikelen (dus onderzoek dat door kritische collega-wetenschappers is beoordeeld). De studie liet ook zien dat vrouwen consequent hoger scoorden op steun voor censuur. Een voor de hand liggende verklaring: vrouwen hechten gemiddeld meer waarde aan harmonie en het beschermen van kwetsbare groepen in de samenleving. Dat pro-sociale motief is bewonderenswaardig, maar het werkt mogelijk ook als rem op vrije kennisproductie. Fins odnerzoek laat zien dat vrouwen gemiddeld 2x zo hoog scoren op de “woke-schaal:” ze zijn het veel vaker eens met stellingen als University reading lists should include fewer white or European authors en If white people have on average a higher level of income than black people, it is because of racism.a
Belangrijk is dat censuur vaak niet van bovenaf komt. Het is meestal zelfcensuur. Docenten mijden gevoelige thema’s, promovendi vermijden controversiële onderzoeksvragen en studenten slikken kritische opmerkingen in. Niet uit kwaadwillendheid, maar uit de wens niemand te kwetsen. Zo wordt empathie ironisch genoeg een vijand van kritisch denken.
Een nuancering is op zijn plaats: links en rechts zijn beide even bevooroordeeld. Clark laat zien dat conservatieven net zo goed onderzoek willen weren dat ingaat tegen hun waarden (denk aan klimaatverandering of ). Het verschil is dat universiteiten, terwijl de rest van de samenleving steeds meer naar rechts opschuift, vooral links georiënteerd zijn,. Daardoor drukt juist die kant van de bias zwaar op het academische debat.
De recente moord op de Amerikaanse commentator Charlie Kirk toont hoe gevaarlijk het wordt wanneer meningsverschillen op universiteitscampussen niet meer met argumenten maar met geweld worden beslecht. Ik was het vaak hartgrondig oneens met zijn opvattingen, maar verdedig wel zijn recht ze te uiten – in de geest van Voltaire: “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal tot de dood uw recht verdedigen het te zeggen.”
En dat is de paradox. Instituten die gebouwd zijn op twijfel en kritiek blijken steeds vaker plekken waar men zich conformeert en controverses vermijdt.
Terwijl de geschiedenis leert dat vooruitgang juist komt uit ongemakkelijke vragen. Thomas Kuhn wees erop dat paradigmawisselingen ontstaan wanneer onderzoekers de anomalieën serieus nemen. Karl Popper benadrukte dat falsifieerbaarheid de kern van wetenschap is. Maar als ideologische grenzen bepalen wat onderzocht mag worden, sterft de wetenschap langzaam van binnenuit. De casus-Buikhuisen was harde censuur. Vandaag zien we de zachte variant: verpakt in morele zorgzaamheid, gedreven door empathie en sociale rechtvaardigheid. Maar de uitkomst is even problematisch.
Wat kunnen we doen? Allereerst moeten universiteiten openlijk erkennen dat zelfcensuur een reëel gevaar vormt. Dat kan door docenten en studenten expliciet te trainen in het academische debat: leren dat ongemakkelijke discussies geen bedreiging zijn maar de kern van leren. Ten tweede kan een anonieme klokkenluidersregeling helpen, zodat onderzoekers zonder reputatieschade kunnen melden waar druk tot censuur wordt ervaren. Ten derde zouden curricula structureel controversiële teksten moeten opnemen, juist om studenten te confronteren met onwelgevallige ideeën. En een laatste, ambitieuzere stap: richt een Fonds voor Controversieel Onderzoek op, waarin universiteiten middelen reserveren voor thema’s die maatschappelijk gevoelig liggen. Net zoals we toponderzoek subsidiëren in klimaat of gezondheid, moeten we ook investeren in academisch risicogebied. Niet ondanks het ongemak, maar precies daarom.
De vraag is dus urgent: willen we universiteiten die ons vooral beschermen tegen onwelgevallige ideeën? Of universiteiten die waarheid zoeken, ook als die pijnlijk is? Wetenschap moet geen veilige, maar een moedige ruimte zijn. Een plek waar het ongemak niet wordt weg-gefilterd maar gekoesterd – en waar we het zelfs durven financieren. Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO): Grijp je kans!
Verder lezen:
Clark, C. J., Jussim, L., Frey, K., Stevens, S. T., Al-Gharbi, M., Aquino, K., ... & von Hippel, W. (2023). Prosocial motives underlie scientific censorship by scientists: A perspective and research agenda. Proceedings of the National Academy of Sciences, 120(48), e2301642120.
Sotker, J., Stolker, C. & Waaldijk, B. (2023). Krachtig en Kwetsbaar: Academische vrijheid in de praktijk https://openresearch.amsterdam/nl/page/99059/krachtig-en-kwetsbaar---academische-vrijheid-in-de-praktijk
Amsterdam Leadership Lab